Noord-Zuid

http://noordzuid.wikidot.com

Het Nederlands van Nederland en Vlaanderen verschilt. Hoe sta jij hiertegenover? De onderstaande vraag en antwoordronde dient om de discussie op gang te trekken. (De vragen komen van LVB)

Q: Wat betekent dat veralgemenende “zegt men” eigenlijk, als je zegt “In België zegt men ‘ajuin’ in Nederland zegt men ‘ui'”?

A: ‘men’ slaat hier respectievelijk op een meerderheid van de Nederlands sprekenden in België, meer precies, bezuiden de Moerdijk, en op de meerderheid van de Nederlands sprekenden in Nederland, meer precies, benoorden de Moerdijk.

Q: Welke “Belgen” (geldt dit ook voor Franstaligen die Nederlands hebben geleerd? Waarom staat daar “Belgen” en niet “Vlamingen”?) zeggen “ajuin” en wanneer doen ze dat?

A: Het is vrij normaal om over “Belgisch Nederlands” te spreken. Ik denk dat ik van daaruit voor “Belgen” heb gekozen. Daar zit geen enkele politieke reden achter, en dat wil ik ook zo houden. Het gaat om taalkunde.

Q: (teruggrijpend op de vorige Q) Doen ze dat als ze dialect spreken, als ze verkavelingsvlaams spreken of als ze standaardtaal spreken of denken te spreken?

A: De opdeling verkavelingsvlaams – standaardtaal is officeel geen waardeoordeel, maar vergeef me als ik in jouw vraagstelling toch een zekere waardering bespeur. In elk geval gaat het in de taalkunde om ‘de taal die de taalgebruiker gebruikt’. De taalgebruiker bedient zich van tijd tot tijd van een ’standaardtaal’ en van tijd tot tijd tot ‘verkavelingsvlaams’. Taalkunde de taal van de taalgebruiker, dus een mengeling van standaardtaal en verkavelingsvlaams, als je wil. (Vergeet ook niet: poldernederlands, dialecten, regiolecten, sociolecten, idiolecten, jargon, !Noord-Nederlands, !Belgisch Nederlands, geheimtaal, codetaal, …)

Q: In mijn dialect heet een ui een “andzjoen”. Als ik standaardtaal spreek, zeg ik “ui”. Waarom? Waarschijnlijk omdat wij destijds op school de boekjes van P.C. Paardekooper gebruikten? Maar in het van Brabants doordrenkt verkavelingsvlaams is “ajuin” inderdaad gebruikelijk. “Zegt men”, dus.

A: je geeft hier een prima beschrijving van ‘men’. Persoonlijk sta ik vrij negatief tov de normatieve boekjes van Paardekooper, omdat zoiets de natuurlijke taal tegenwerkt. Viva taalvariatie.

Q: is zoiets (http://noordzuid.wikidot.com) beschrijvend of normatief? Moeten we een Franstalige Brusselaar die Nederlands wil leren, naast zijn taalcursus ook die wiki aanwijzen en hem zeggen: “als je in Vlaanderen niet voor aap wil staan, moet je die Vlaamse taalparticulariteiten volgen”? Of moeten we integendeel Vlaamse schoolkinderen naar die wiki leiden en hen zeggen: “als je correcte standaardtaal wil spreken, let er dan op dat je die typisch Vlaamse taalparticulariteiten uit je taal bant”.

Q: dat zijn een aantal vragen in 1 keer. Even opsplitsen:
qQ: is zoiets beschrijvend of normatief:

aA: beschrijvend, duh?

qQ: als je in vlaanderen niet voor aap wil staan, moet je die vlaamse taalparticularieten volgen:

aA: de Nederlands lerende kan zich in vlaanderen prima verstaanbaar maken met Standaardnederlands, de vraag is: kan hij de anderen verstaan? Daarom is het belangrijk dat iemand die Nederlands leert ook meekrijgt hoe de taal er in de realiteit uitziet.
qQ: vlaamse taalparticulariteiten uit je taal bannen:

aA: NOOIT! taal is een deel van je cultuur en van je identiteit. ikzelf heb het meest vreemde (voor taalpuristen: foutieve) gebruik van voorzetsels (zie deze website…), maar daar heb ik geen probleem mee. Ik zou zeggen: laat een taal met rust, en probeer ze niet te forceren. Houd de Standaardtaal in stand, maar laat mensen spreken zoals ze willen.

15 gedachtes over “Noord-Zuid

  1. De eerste reactie komt van Maurice:
    In taalaangelegenheid is het vaak erg moeilijk om precieze grenzen te trekken. Dat geldt zeker wat ‘ajuin’ betreft: het wordt ook in Zuid-Nederlandse vormen van het Nederlands (Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Brabant, Nederlands Limburg) gebruikt. En lang niet altijd in de plaatselijke dialecten, ook in de regionale varianten van het (Standaard?-)Nederlands.
    Feit is dat er binnen Nederland verschillende lokale en sociale varianten van het Standaardnederlands bestaan. Daar is zowat iedere taalkundige het over eens. Feit is ook dat, binnen het Nederlandse, er heel duidelijke verschillen zijn tussen het Nederlands in Nederland en het Nederlands in België in het algemeen (ook in Wallonië wordt er wel eens Nederlands of Vlaams gesproken) en in Vlaanderen in het bijzonder. Ook daar is zowat iedere taalkundige het over eens. De Nederlandse Taalunie erkent zelfs expliciet deze taalvariatie en heeft daar een aantal adviezen over geformuleerd:
    http://taalunieversum.org/taalunie/advies_inzake_taalvariatie/index.php
    Hoe ver die taalvariatie gaat is weer heel moeilijk te bepalen, dat zal wel voor iedere taalgebruiker anders zijn.
    Je kunt natuurlijk eindeloos blijven discussiëren over de precieze definities van termen als ‘zegt men’, ‘Standaardnederlands’, ‘correcte standaardtaal’ en dergelijke, maar ik denk dat dit niet Toms bedoeling is. Dat is ook het voordeel van zo’n wiki: iedereen kan eraan bijdragen, dus het is een open experiment. Je kunt het ding een tijdje zijn gang laten gaan en dan kijken welke richting het uit gaat.
    Ik heb meteen de daad bij het woord gevoegd. Kijk maar eens naar de pagina woordenschat:ajuin-ui.

  2. OK, ik kan akkoord gaan met de meeste antwoorden van Tom. En ja, Esther, “voor aap staan” was overdreven, maar ik stel het soms graag scherp voor om de probematiek duidelijk te maken.

    Toch denk ik dat een taal naast een heleboel “beschrijvende” documentatie en inventarissen (vooral van belang voor het “verstaan”, zoals je aangaf), ook nood heeft aan enkele “normatieve” richtingaanwijzers (belangrijk voor wie een variant wil gebruiken die het best aansluit bij de standaardtaal).

    Als we naar andere talen kijken, zien we dat daar verschillende visies over bestaan, van de strak centraal geleide Franse taal (waar de Académie française zich regelmatig buigt over de nieuwe woorden die zullen ‘toegelaten’ worden), over de Nederlandse en Duitse taal waar af en toe spellingswijzigingen van bovenaf worden opgelegd, tot de Engelse taal die voor zover ik weet volledig ‘organisch’ evolueert.

    Is het zo evident dat men in het Nederlands het vocabularium volledig vrij laat evolueren (“de taal leeft”), maar dat men op het vlak van spelling een strak centralistisch autoriteitsmodel oplegt?

    Enfin, ik vraag maar hé…

  3. >>>>>Toch denk ik dat een taal naast een heleboel “beschrijvende” documentatie en inventarissen (vooral van belang voor het “verstaan”, zoals je aangaf), ook nood heeft aan enkele “normatieve” richtingaanwijzers (belangrijk voor wie een variant wil gebruiken die het best aansluit bij de standaardtaal).
    Goed punt. Hier is een taak opzij gelegd voor het onderwijs. Kinderen moeten zeker vertrouwd gemaakt worden met enkele duidelijke elementen van de taal. Hier mag inderdaad een beetje “conservatief” opgetreden worden: leg Nederlandse kinderen het verschil tussen ‘hen’ en ‘hun’ maar uit, en leer ze ook maar hoe werkwoorden vervoegd worden! Ook spelling is daarbij heel belangrijk. Laten we daar echter goed bij opmerken dat DAT tot het takenpakket van het onderwijs moet horen. (het is overigens erg modieus van mij om nog maar weer eens iets toe te voegen aan het onderwijs-gebeuren, nietwaar?) De taalkunde (op universitair en theoretisch niveau) moet zich bezig houden met beschrijven. It’s science baby.
    >>>>>>>Is het zo evident dat men in het Nederlands het vocabularium volledig vrij laat evolueren (”de taal leeft”), maar dat men op het vlak van spelling een strak centralistisch autoriteitsmodel oplegt?”
    Ten eerste wil ik opmerken dat de ‘Académie francaise’ een theoretisch instituut is waar de gewone mens zich niets van aantrekt. Vrienden uit Frankrijk ‘weten’ wel dat er zo een instituut is, maar zijn niet echt vertrouwd met de nieuwe ‘regeltjes’, laat staan dat ze ze toepassen. Als ze de regeltjes kennen, wordt er mee gelachen.
    Om zoiets in Vlaanderen te doen… het geld kan beter gespendeerd worden, denk ik zo. Ik ben niet (meer) zo vertrouwd met wat de Taalunie nu precies doet, daar weet Esther misschien nog iets over (cursus Smedts eerste jaar)
    Vraag maar raak, ik vind dit tot nu een uiterst interessante (en beleefde, super!) discussie.

  4. http://standaard.typepad.com/taalblog/2005/11/nederlands_voor.html
    Interessante discussie van een hele poos geleden.
    Het artikel (dankuwel DSO):
    INTERESSANTE QUOTES IN VOLGENDE COMMENT
    ==================================================
    Een cursus Nederlands voor Vlaamstaligen
    Na vijftig jaar ABN-actie kent de Vlaming nog altijd geen Nederlands, schrijft Frans Debrabandere.
    MIJN vroegste herinnering aan ABN-actie gaat terug naar mijn lagereschooltijd in de Sint-Rochusschool in Kortrijk, in de jaren veertig. Ik herinner me niet dat de leerlingen toen ooit iets anders dan Kortrijks gesproken hebben. En ik ben er nagenoeg zeker van dat zelfs de onderwijzers tijdens het speelkwartier met elkaar dialect stonden te praten. En hoe zouden we Nederlands hebben gesproken? We konden het gewoon niet. Vlaamse schoolkinderen kunnen het vandaag nog altijd niet, driekwarteeuw na de zogenaamde ‘vernederlandsing’ van het onderwijs. In de kleuterschool en op de lagere school leren de kinderen nog altijd geen goed Nederlands, omdat ze nog altijd geen leerkrachten hebben die in staat zijn om vlot, levendig en modern Nederlands te spreken. Ook in het voortgezet onderwijs zijn we er nauwelijks op vooruitgegaan. Ze lezen er wel niet meer zes jaar lang stukjes, er is een programma opgesteld, maar dat programma is niet specifiek gericht op het bijbrengen van de standaardtaal. Ze lezen nu ook Hugo Claus, maar je leert er geen Nederlands mee. Ze leren er zelfs de betekenis van de familienamen, wat ik bijzonder boeiend vind, maar je leert er geen Nederlands mee. Je kunt ook vandaag nog geen school, geen universitair gebouw binnenstappen – zelfs niet van een taalfaculteit – of je wordt op bordjes en ad valvas met de klassieke Belgische taalafwijkingen geconfronteerd: onthaal, labo, doorgaan ‘plaatsvinden’ enzovoort.
    Er is een groot verschil tussen mijn generatie en de huidige generatie leerkrachten. De jongste generatie taalleraren heeft nagenoeg geen Nederlandse cultuurreflex meer, voelt zich klein-Vlaams, heeft weinig behoefte aan een Nederlandse standaardtaal en is geïndoctrineerd door de variatielinguïsten, die vinden dat Belgisch Nederlands ook Nederlands is, die taalfouten nu varianten noemen. Bij de onkunde heeft zich nu ook onwil gevoegd en dat is funest. In de weinige scholen waar in de leraarskamer min of meer standaardtaal gesproken werd, is van die goede gewoonte nu nog weinig overgebleven. Sommige leraren spreken zelfs al tussentaal in de klas.
    Dat tussentaaltje wordt nu met een eufemisme Belgisch Nederlands (BN) genoemd, een amalgaam van dialect, (vooral Brabantse) gewestelijke taal, purismen, archaïsmen (bekomen, gans) en vertaald Frans (de duimen leggen, zakencijfer). BN is een alibi voor al wie zich de moeite niet wil getroosten om zijn taal te (leren) beheersen. Woorden als goesting, plezant, terug ‘weer’, gans ‘heel’ worden gepromoot als Belgisch, terwijl die woorden in veel dialecten helemaal niet voorkomen. Dat BN is een taal zonder registers. Zodra standaardtaal moet worden gesproken, wordt de voorkeur gegeven aan exogeen taalgebruik. Dat bestaat erin dat in spreektaal schrijftaalwoorden gebruikt worden, zoals ‘indien’ en ‘reeds’, omdat ‘als’ en ‘al’ in het dialect gebruikt worden en dus wel niet goed zullen zijn. Wat heeft een halve eeuw taalactie opgebracht? Taalfouten die talloze keren via allerlei media aan de kaak werden gesteld en door het goede Nederlands vervangen, blijven maar voortwoekeren. Op radio en tv horen we nieuwslezers of weermannen nog altijd zeggen dat we ,,ons aan regen mogen verwachten”. Af en toe hoor je op de radio de neerslag van taalcorrectie. Af en toe hebben ‘werkzaamheden’ de uit het Frans vertaalde ‘werken’ vervangen, of wordt al eens ‘passen’ gezegd in plaats van ‘kaderen’. Maar telkens weer duiken nieuwe taalfouten op die we voor zoveel jaren niet hoorden. In mijn jeugd dronk ik geen ‘plat water’ en werd nog niemand ‘gehospitaliseerd’. Ik neem aan dat de VRT-taaladviseur zijn taak nauwgezet vervult, maar ik moet besluiten dat hij vrijwel machteloos is.
    Ik moet wel concluderen dat de Vlamingen geen Nederlands willen leren. Natuurlijk zijn daar verklaringen voor. Nederlands is voor de gemiddelde Vlaming eigenlijk een vreemde taal. Onze geschiedenis zat ons niet mee. Vier eeuwen scheiding van het taalcentrum hebben een gescheiden taalontwikkeling veroorzaakt. Maar erger nog is eigenlijk de verfransing, niet alleen door de Franse staat, waarvan wij twintig jaar staatsburgers zijn geweest, maar nog meer door de Frans-Belgische staat, waarvan we een eeuw staatsburgers zijn geweest. Nederlanders kunnen zich moeilijk voorstellen hoe diepgaand die verfransing geweest is. In de 19de eeuw en in een groot deel van de 20ste eeuw was de burgerij – zowel de hoge als de kleine – grondig verfranst. En net op het ogenblik dat de kleinburger, de enigszins ontwikkelde Vlaming, goed Frans kende, in elk geval veel beter dan Nederlands, kwam men op het – ik zei haast onzalige – idee om het openbare leven en het onderwijs te ‘vernederlandsen’. Nu zien we in dat dat een onbegonnen taak was. De ambtenaar, de leraar, die tot dusver Frans had gehanteerd, kon onmogelijk zomaar op een taal overschakelen die hij niet beheerste, zeg maar een vreemde taal. De afstand tussen zijn dialect, dat hij uiteraard ook kende, en het Nederlands was nagenoeg even groot als tussen zijn dialect en het Duits. Ik ken vandaag Franstalige Vlamingen die hun Vlaamse dialect accentvrij kunnen spreken, maar Nederlands met een Frans accent spreken. Ik ken Elzassers die thuis hun Elzassische dialect (Elsässer Dietsch) spreken, maar Duits spreken met een Frans accent. Als – het is een irreële veronderstelling – de Elzas weer Duits werd, zou het een even onbegonnen taak zijn om de Elzassers weer goed Duits te leren. Intussen hebben de Vlamingen Nederlands geleerd in boekjes, niet door contact met het levende Nederlands, van leraren die nog steeds geen Nederlands kennen. Maar ze spellen wel beter dan de Nederlanders, want spelling is het enigste waar ze een houvast aan hebben.
    Er is veel historisch te verklaren, en toch vraag ik me af waarom onze ABN-actie gefaald heeft. Wat was er fout aan? We hebben ons veel te weinig gerealiseerd in welke mate het Nederlands voor Vlaanderen een vreemde taal was. En er werden geen conclusies uit getrokken. Er wordt nog altijd moedertaalonderwijs gegeven, alsof het Nederlands inderdaad de moedertaal is van de Vlamingen. Nederlands, dat ken je toch al. Ik ben ervan overtuigd dat we betere resultaten hadden bereikt, als het Nederlands was onderwezen als een vreemde taal, met de didactische methodes van het vreemdetalenonderwijs. Maar dat veronderstelt alweer dat we hadden beschikt over taalleraren die het Nederlands beheersen. En dan zijn we alweer terug bij af.
    De ABN-actie dwong ongewild tot tussentaal. Het is mijn overtuiging dat Nederlands te vaak als alternatief tegenover het dialect werd voorgesteld. Het dialect was als het ware iets minderwaardigs. Toen de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal (VBO) deze vergissing inzag, wijzigde ze in 1979 haar naam in Vereniging Algemeen Nederlands (VAN). Niet het dialect is de vijand van het Nederlands. In 1971 wees ik er al op dat niet het dialect het Standaardnederlands bedreigt, maar het Zuid-Nederlands of ‘de kromme schooltaal’. Vandaag noemen we die kromtaal tussentaal of ‘Belgisch Nederlands’. De ABN-acties hebben de Vlamingen van hun moedertaal, hun authentieke dialect, afgewend, in de hoop dat ze zich in plaats daarvan van correct Nederlands zouden bedienen. We hebben ABN aangeprezen, zonder te beseffen dat de Vlamingen geen ABN konden spreken of schrijven, omdat ze die taal onvoldoende kenden. Heel veel jonge Vlaamse ouders denken er goed aan te doen niet langer dialect te spreken met hun kinderen, zonder te weten dat het ’schoon Vlaams’ dat ze hun kinderen leren, eigenlijk geen Nederlands is en ook helemaal niet mooi. We hebben het dialect dus gestigmatiseerd, Vlaanderen zijn dialect afgeleerd en het naar de tussentaal gedreven, al was dat net niet de bedoeling. Intussen kennen onze jongelui hun mooie dialect niet meer, en kennen ze nog altijd geen Nederlands. Jammer.
    Frans Debrabandere
    (De auteur is oud-docent Nederlands en Duits en medehoofdredacteur van het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands.)
    Dit is een bewerking van een uitgebreider artikel dat eerder in ‘Nederlands van Nu’ werd gepubliceerd.
    Frans Debrabandere

  5. De interessantste quotes:
    “Vlaamse schoolkinderen kunnen het vandaag nog altijd niet, driekwarteeuw na de zogenaamde ‘vernederlandsing’ van het onderwijs. In de kleuterschool en op de lagere school leren de kinderen nog altijd geen goed Nederlands, omdat ze nog altijd geen leerkrachten hebben die in staat zijn om vlot, levendig en modern Nederlands te spreken.”
    “Je kunt ook vandaag nog geen school, geen universitair gebouw binnenstappen – zelfs niet van een taalfaculteit – of je wordt op bordjes en ad valvas met de klassieke Belgische taalafwijkingen geconfronteerd: onthaal, labo, doorgaan ‘plaatsvinden’ enzovoort.”
    (geachte heer debrabandere, ‘ad valvas’ is ook een typisch belgisch woord…)
    “Dat tussentaaltje wordt nu met een eufemisme Belgisch Nederlands (BN) genoemd, een amalgaam van dialect, (vooral Brabantse) gewestelijke taal, purismen, archaïsmen (bekomen, gans) en vertaald Frans (de duimen leggen, zakencijfer). BN is een alibi voor al wie zich de moeite niet wil getroosten om zijn taal te (leren) beheersen.”
    “Ik ben ervan overtuigd dat we betere resultaten hadden bereikt, als het Nederlands was onderwezen als een vreemde taal, met de didactische methodes van het vreemdetalenonderwijs. Maar dat veronderstelt alweer dat we hadden beschikt over taalleraren die het Nederlands beheersen. En dan zijn we alweer terug bij af.”
    “De ABN-acties hebben de Vlamingen van hun moedertaal, hun authentieke dialect, afgewend, in de hoop dat ze zich in plaats daarvan van correct Nederlands zouden bedienen. We hebben ABN aangeprezen, zonder te beseffen dat de Vlamingen geen ABN konden spreken of schrijven, omdat ze die taal onvoldoende kenden.”

  6. Toch denk ik dat een taal naast een heleboel “beschrijvende” documentatie en inventarissen (vooral van belang voor het “verstaan”, zoals je aangaf), ook nood heeft aan enkele “normatieve” richtingaanwijzers (belangrijk voor wie een variant wil gebruiken die het best aansluit bij de standaardtaal).

    Ik ben het ermee eens dat er een goed evenwicht moet gevonden worden tussen prescriptieve en descriptieve informatie over taal. En die informatie zal altijd slechts een momentopname zijn.

    Ik denk dat mensen die Nederlands leren (of welke taal dan ook) ervan bewust moeten worden gemaakt dat er binnen een taal heel veel registers bestaan die niet eens precies begrensd zijn: standaardtaal (die heel moeilijk precies te definiëren is – probeer het maar een keertje), vaktaal, de taal van je eigen sociale groep, jongerentaal, regionale en etnische varianten en zelfs gewone, officiële/formele en ambtelijke schrijftaal. Een goede beheersing van een taal betekent ook dat je moet weten wanneer je welk taalregister hoort te gebruiken:
    Als je in een solliciteert voor een baan waarin keurig Nederlands van je verwacht wordt, kun je maar beter geen dialect of onhandig vertaald Frans in je sollicitatiebrief schrijven. Als je solliciteert voor een baan bij een reclamebureau dat zich specifiek richt tot tieners, heb je met chattaal en sms-taal in je sollicitatiebrief wellicht een voorsprong op de anderen.
    Als je aan de toog (B) / in de kroeg (NL) woorden als ‘desalniettemin’, ‘aamborstig’ en ‘behuwdbroeder’ door je conversatie mengt, krijg je gegarandeerd vreemde blikken. Geloof me, ik kan in een paar cafés mijn gezicht maar beter niet meer tonen (B) / laten zien (NL)😉.

    […] van de strak centraal geleide Franse taal (waar de Académie française zich regelmatig buigt over de nieuwe woorden die zullen ‘toegelaten’ worden), […]

    In het Frans is er evengoed regionale en sociale variatie. Een voorbeeldje uit mijn eigen ervaring:
    Ik kan me mondeling aardig redden in het Frans, en ik kan geschreven Frans erg goed en mondeling Frans redelijk goed begrijpen. Toch had ik al mijn concentratie nodig om het gesprek van een aantal Franse, meer bepaald Parijse collega’s te volgen. Met alle respect, maar dat was geen Frans dat ik op school geleerd had. Meer nog: het was geen Frans dat ZIJ op school geleerd hadden. Als ik niet ook het Engels redelijk zou beheerst hebben, begreep ik er wellicht maar de helft van, en van de trendy afkortingen kon ik al helemaal niet veel maken. Toen ik hen erop wees, keken ze zelf ervan op hoeveel woorden op het Engels terug te brengen waren. En je moet niet denken dat het om een handvol flitsende yuppies ging: het waren uitgevers, een verkoopdirecteur en een paar eindredacteurs van een grote, internationale uitgeverij. Ik was met mijn veertig jaar (toen, ach, zo lang geleden al) zo’n beetje de jongste van het gezelschap.

    Ook de Académie française kwam ter sprake, een instituut waarop ze allemaal nogal trots waren, zonder dat ze precies konden zeggen wat dat instituut precies deed. Met één van hen heb ik het er later uitgebreider over gehad: ik toonde hem de lijst van wooren die de Académie recentelijk in het Frans had opgenomen. Dat was een schok voor hem: een heleboel daarvan gebruikte hij al sinds zijn jeugd, hij wist niet eens dat die ooit als ‘niet-correct Frans’ werden beschouwd.
    Blijkbaar buigt de Académie française zich wel regelmatig over het ‘nieuwe’ Frans, maar dat doen ‘les immortels’ dan wel eeerrrrggg tttrrraaaaaggg. Nou ja, ze zijn meestal ook niet van de jongsten, natuurlijk😉.

    Feit is dat de Académie française geen enkele wettelijke autoriteit heeft, alleen morele. Dan is de Taalunie, die de spelling oplegt aan het onderwijs en de ambtenarij (zonder sancties, dat wel), heel wat doortastender. Feit is ook dat dit toch wel de nodige wrevel opwekt ook. En zelfs die ‘strenge’ Taalunie is behoorlijk ruimdenkend wat taalvariatie betreft.

  7. Oei, ik had keurig vishaken met erin “quote Luc Van Baekel” en “quote” rond de tekst van Luc gezet, maar blijkbaar neemt het weblog die niet over. Of wel, maar die zullen wel worden beschouwd als html-tags en niet worden herkend.

    Sorry, dat probeer ik in de toekomst anders op te lossen.

  8. Er zijn nog discussiegroepen waarin/waarop de taalverschillen tussen Nederland en België aan bod komen. Er is zelfs een aparte Yahoo!-groep, maar erg actief is die niet (meer):
    http://groups.yahoo.com/group/belgischnederlands/
    (Je moet je wel aanmelden bij Yahoo! om toegang te krijgen.)

    Ook in de nieuwsgroep nl.taal komen die verschillen regelmatig aan bod. De berichten van die Usenet-groep kunnen geraadpleegd worden via Google Groups:
    http://groups.google.com/group/nl.taal/topics

    Op de mailinglist Spits, voor tekstschrijvers, vertalers, (eind)redacteuren en correctoren, gaat het wel eens over verschillen tussen het Nederlands Nederlands en het Belgisch Nederlands. Je moet je wel aanmelden, maar dan krijg je meteen toegang tot het archief. De meeste deelnemers zijn mensen die beroepsmatig met taal bezig zijn.
    http://www.collegasintekst.org/

    En dan was er ook nog een MSN-groep van Vlaamse taalparticularisten, maar die zijn blijkbaar uitgestorven:
    http://groups.msn.com/vlamingenzijngeennederlanders
    Hoewel, er zijn nog wat sporen terug te vinden:
    http://66.102.9.104/search?q=cache:OqWRCS24idkJ:groups.msn.com/vlamingenzijngeennederlanders/algemeen.msnw%3Faction%3Dget_message%26mview%3D0%26ID_Message%3D457%26LastModified%3D4675505890328238672+%22vlamingen+zijn+geen+nederlanders%22&hl=en&ct=clnk&cd=5&client=firefox-a

  9. Bij het zoeken naar iets over jongerentaal kwam ik hier terecht. Toch even opmerken: je moet als germanist maar in een klein dorp in de provincie Antwerpen terecht komen en dan weet je hoe het zit met de standaardtaal in Vlaanderen, zelfs op school.

  10. In het boek ‘Wat iedereen van het Nederlands moet weten en waarom’, redactie Nicoline van der Sijs, Jan Stroop en Fred Weerman, uitgeverij Bert Bakker, staat een heel lezenswaardig en genuanceerd artikel over het verschil tussen Belgisch Nederlands en Nederlands Nederlands van de hand van Ludo Permentier.
    Blz. 220-226, titel ‘Boogschieten minder fraai dan steenwerpen?’

  11. De discussie doet me heel erg denken aan de situatie in Oostenrijk. De taalsituatie in Oostenrijk is heel goed vergelijkbaar met de taalsituatie in Vlaanderen. De verschillen tussen het Duits in Duitsland (eigenlijk zou je Noord-Duitsland moeten schrijven) en het Duits in Oostenrijk (eigenlijk zou je er Zuid-Duitsland moeten bij nemen) situeren zich vooral op het vlak van de uitspraak (het Oostenrijks is zachter; Oostenrijkers zingen meer) en de woordenschat. De beroemdste voorbeelden zijn toch wel “Paradeiser” (tomaten – in Duitsland: Tomaten), “Marillen” (abrikozen – in het Duits: Aprkosen) en “Semmel” (broodje – in Duitsland: Brötchen). De taalsituatie is niet het enige trouwens wat Oostenrijk met Vlaanderen verbindt. Maar hierover misschien een volgende keer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s