Dirk D.

Elke maand zorgt Esther voor een Dirk D.-episode, die tsjokvol zit met de taalkoeien van de voorbije maand. Waarschijnlijk zal de lezer uit 2006 vreemd opkijken bij een aantal constructies die zijn gebaseerd op de taalkoeien. Benieuwd of de lezer uit 2050 nog steeds vreemd opkijkt over die constructies. Veel leesplezier!

Onderaan is een versie in .pdf beschikbaar.

De Avonturen van Dirk D.

eds

Hoofdstuk 1

In een vergeten kantoortje van het faculteitsgebouw werkt en leeft Dirk D. Dirk D. is toponymist, en is bezeten door de studie van de plaatsnamen. Hij staat ’s ochtends vroeg op, laat een eenzame vrouw achter, en treint naar zijn werk, waar hij zich meteen terugtrekt in zijn kamertje. Daar laat hij zich, gewapend met een thermos vol koffie, zakken in zijn grote leren armstoel, en begint aan zijn werk.

Hoewel hij beseft dat vele mensen daar anders over denken, is Dirk D. van mening dat de toponymie een van de belangrijkste takken, zoniet de belangrijkste tak van de wetenschap is. Hij koestert dan ook grote ambities om de geloofwaardigheid van dit vak weer op te krikken in de wereld van de wetenschap: hij wil een toponymisch woordenboek schrijven, uitgebreid met kaarten, foto’s van dorpen en inwoners, geschiedenissen van steden en landen en tabellen met nationale en plaatselijke feestdagen. Dat woordenboek moet alle plaatsnamen ter wereld bevatten, en in zijn volledigheid de standvastigheid van nationale en lokale grenzen verzekeren.Maar naar mening van de faculteit is de toponymie niet bepaald de meest wetenschappelijke en winstgevende discipline. Dirk D.’s project is dan ook niet de prioriteit. Meer zelfs, omdat deze dromer nog nooit enig werk van wetenschappelijke relevantie afgeleverd heeft, werd er beslist om hem te ontslaan. Zijn kantoortje kan dan voor andere doeleinden gebruikt worden. Dat maakt dat het dan ook binnen de maand ontruimd moet worden. En in die ene maand krijgt Dirk D. zijn werk nooit af. Door die deadline, die met rasse schreden nadert, heeft hij tot nu toe alleen nog maar de kladversie van het voorwoord geschreven. Dat vond hij voorlopig het belangrijkste. Als hij dit voorwoord ergens publiceert, slaagt Dirk D. er misschien in zijn ideeën te communiceren naar de hele wetenschappelijke wereld. En zo kan hij dan cartografen, geschiedkundigen, fotografen en volkskundigen aanspreken, die dan zullen willen meewerken aan dit levensbelangrijke project. Want als hij zelf zijn werk niet mag doen van de universitaire hoge pieten, zal hij alles in het werk moeten stellen om iedereen klaar en duidelijk te maken dat deze materie werkelijk van levensbelang is. En tot zijn grote opluchting mag hij aan het eind van de maand zijn voorwoord ter lezing voordragen aan gerenommeerde geografen. Dirk D. weet dus wat gedaan. Zijn voorwoord moet af:

Beste lezer,U dacht vast uw hele leven al dat de geneeskunde, de fysica of de wiskunde de belangrijkste twijgjes van het wetenschappelijke bedrijf waren. Deze wetenschappen bieden een mens immers zekerheid: over zijn lichaam, de natuur of over telbare eenheden. In dat geval bent u al heel uw leven mis. De enige wetenschap die werkelijk belangrijk is voor de mens, is de toponymie.U moet immers grif toegeven, dat die dingen u in wezen niet interesseren. Zij geven hoogstens een verdieping aan uw leven, maar schenken u niet datgene waar u naar op zoek bent: rust. U weet evengoed als ik, dat we in de westerse wereld van vandaag overspoeld worden door gevoelens van heimwee naar onze roots, naar onze thuis, onze plaats van herkomst. Die mythische plaats, die een naam moet hebben, een betekenis, en een vaste stek op de kaart, is letterlijk de plaats waar de woelige postmoderne ziel tot rust komt. Dat besef leeft nog steeds heel sterk bij volkeren die in stamverband leven, en nog niet verdronken zijn in de smaakloze pap van de globalisering. Toch voelt iedereen die drang naar een plek, zoals blijkt uit de miserie van mensen die in vluchtelingenkampen moeten leven, zoals de Pakistani, en de oorlogen die een grote als Napoleon voerde. Ook zijn vele Oost-Duitsers op het matje moeten komen omdat ze naar het Westen wilden. Toch beseften zij geen van allen dat enkel kennis over een plaats kennis over thuiskomst verschaft. En daarvoor is er de toponymie.Dit woordenboek zal dan ook uw geest verlichten, en u antwoorden geven op vragen die al lang door uw hoofd spoken. Uw thuis vindt u, door in dit woordenboek alle plaatsen waarmee u zich mentaal verbonden voelt op te zoeken. De kennis over die plek zal ook letterlijk uw thuiskomst betekenen. Dat kan ik u als wetenschapper garanderen. De modieuze meditatietheorieën van psychologen geloof ik niet in. Meer nog, ze bezorgen mij kopzeer, en zullen u helemaal niet helpen. U kunt dan ook beter vertrouwen op mijn bevindingen. Ik ben een serieus man, die er al zestig geworden is, en zijn jarenlange ervaring ten dienste stelt van zijn lezers.De geneeskunde mag dan uw lichaam genezen, de toponymie geneest uw rusteloze zoektocht naar een Heimat. De nieuwe leuze is: ‘Zoek je naar een thuis, gebruik je het Groot Toponymisch Woordenboek van Dirk D.’

Wel thuis!

Dirk D.

Hoofdstuk 2

Nu Dirk D. zijn kantoor noodgedwongen moest verhuizen naar een donker hoekje van de woonkamer, ondervindt hij zo nu en dan last van zijn echtelijke wederhelft. Voor zijn ontslag bleven Lea’s bemoeienissen beperkt tot het kiezen van de toespijs op zijn boterhammen. Nu valt ze hem echter altijd maar vaker lastig met koffie en koekjes, fruit en een babbel over de buurvrouw. Iedere dag wordt ook steevast afgesloten met een afgrijselijk kietelende voetmassage. Ondanks zijn irritatie, probeert Dirk D. toch het positieve van zijn nieuwe werkpositie in te zien. Zijn vrouw kan hem handig van pas komen bij de voorbereiding van zijn lezing voor de Vereniging van Oud- en Nieuwgeografen. Zij weet niet alleen welke ‘bollekes’ hij het beste kan nemen om zijn keel te smeren, maar ze heeft ook een computercursus voor senioren gevolgd. Ze is met haar 56 jaar dan wel nog geen officiële senior, maar ze werd met open armen ontvangen op de cursus, omdat de echte senioren blijkbaar niet zoveel interesse toonden. Lea vindt echter dat je mee moet gaan met je tijd en met de oprukkende computers. Zonder dat Dirk D. het beseft, wordt haar interesse tot zijn voordeel.

Over drie dagen is de lezing, en Lea hoort haar echtgenoot op zolder rommelen. Bezorgd begeeft ze zich naar boven, en betrapt hem op het opbouwen van hun bestofte diaprojector met bijhorend niet meer zo wit scherm. ‘Komt dat tegen,’ denk ze geërgerd. Dirk D. kijkt haar trots aan, en overtuigt haar van de noodzaak van zijn onderneming: zijn publiek van geografen is vast niet te overtuigen zonder hier en daar wat leuke prentjes van gezellige plaatsjes. Lea zucht diep, eist dat hij de rommel die hij gemaakt heeft, onmiddellijk weer opruimt, en merkt op dat er betere methodes bestaan om zulke zaakjes af te halen. Ze tornt hem mee naar onder, waar ze hem voor de computer zet. Ze zal hem een blik gunnen in de wondere wereld van Power Point.

Dirk D. weet niet wat hij ziet. Power Point is flitsend en modern en overtuigt meteen. Enthousiast surft hij een hele dag het internet af, op zoek naar foto’s van dorpen en steden, die Lea dan netjes schikt in een presentatie. Terwijl hij zijn lezing voor de zoveelste keer van buiten opdreunt, zorgt zij ervoor, dat er passende prentjes verschijnen, en dat zonder ook maar een keer te ruziën. Voor het eerst sinds lange tijd ervaren ze nog eens een gevoel van verbondenheid. Ze komen overeen dat ze samen de lezing zullen verzorgen: Dirk D. houdt zijn betoog, terwijl Lea voor water en de presentatie zorgt. Dit komt ongetwijfeld goed.

De dag voor het gebeuren krijgt Lea hem zover om met z’n tweeën uit winkelen te gaan. Dirk D. krijgt een nieuwe das, en Lea voorziet zich van een stijlvol lichtgeel mantelpakje. Een vreemd gevoel van harmonie bekruipt hen wanneer ze hand in hand door de winkelstraten uit lopen. ’s Avonds in bed overlopen ze alle stappen voor de volgende dag. Ze voelen dat ze morgen meeval zullen hebben. Nadat ze elkaar trusten gewenst hebben, vallen ze met kriebelende buiken in slaap.

Op de deur van het lokaaltje waarvan Dirk D. verwacht had dat het een aula was, hangt een papier met daarop de aankondiging: Zondag 5 maart, 17.OO: Over het verband tussen toponymie en geografie, een gesprek met Dirk D. Aansluitend: bezoek aan café ‘In den ouden bok’. Ietwat geërgerd over de ongenuanceerde beschrijving van zijn werk en lezing, stapt Dirk D. het lokaal binnen. Daar zitten vier bebaarde mannen in tennisoutfit lustig na te praten over hoe Freddy wel drie keer een zwart balletje tegen zijn hoofd gekregen had. Het gezelschap knikt wat afwezig naar Dirk D. en reageert verheugd wanneer ze zien dat zijn vrouw hem in haar te krappe mantelpakje, met een projector in haar handen, waggelend volgt. Dirk D. begint te installeren en voor te bereiden, en vraagt zich binnensmonds af waar de media gebleven zijn. Na een zenuwachtige blik naar zijn vrouw, schraapt hij zijn keel. Hij begint met Beste vrienden, want deze mensen zien er als vrienden uit, ook al zijn het dan niet de zijne. Zijn lezing verloopt vlekkeloos, ondanks het feit dat hij niet altijd de naam van de soms nogal exotische dorpen en steden op zijn presentatie juist uitspreekt. Een lauw applausje van de aanwezigen volgt. Dirk D. zegt hen dat ze altijd vragen mogen stellen, en zelfs achteraf nog een mailtje mogen geven. De mannen bedanken hem kort, grijpen hun sporttassen, en verlaten de ruimte. Dirk D. kijkt hen wat beteuterd na, en merkt niet dat zijn vrouw hem een vol glas water aanbiedt, dat hij tijdens heel zijn betoog niet aangeraakt heeft. ‘We mogen niet vergeten de projector terug te zetten,’ merkt ze op. Dirk D. kijkt haar aan en krabt wat onwennig in zijn nek. Hij pakt zijn tas weer in.

Hoofdstuk 3

Wat een glorietocht doorheen het rijk der geografen moest worden was een beetje mislukt geëindigd als een onpersoonlijk onderonsje met een stelletje squashvrienden –Dirk D. gaat er nog steeds vanuit dat het tennissers waren. Daardoor is hij een beetje verward. Terwijl hij de projector terug naar het kamertje van de conciërge zeult kijkt hij wat verdwaasd voor zich uit en voelt zich aardig, met een soort draaiend gevoel in zijn buik. Er is iets mis vandaag.

De sleutels van de kamer van de conciërge zitten nog in zijn broekzak. Met de projector stevig tegen zijn borst gedrukt tast Dirk D. naar zijn heup. Plots voelt hij een felle pijnscheut door zijn rug vlammen. Hij probeert het apparaat krampachtig vast te houden, maar het glipt uit zijn handen. Zelf valt hij onzacht neer op zijn knieën. Lea komt ‘ochot’ roepend het lokaal uitgesneld. Met berispende blik probeert ze Dirk D. recht te helpen. Die blijft echter zowel liggend, zittend als staand er nogal dubbelgeplooid uitzien. Dirk D. moet naar de dokter.

Lea en Dirk D. hebben alle kosten voor de kapotte rug en de kapotte projector betaald en hun spaarrekening blijkt nu een nulletje armer te zijn. Dirk D. zou echter best nog werk maken van een half jaar revalidatiesport. Hij mag dan nog wel pingpongkampioen bij de Jozefieten geweest zijn op zijn zestiende, van zijn conditie is niet meer veel over. Omdat een fitnessabonnement te duur blijkt, besluit Lea hem naar de aerobicles te sturen. Hun dochter Martine en vriendinnen van hebben ook twee jaar lang aerobic gedaan en die zien er op hun 35ste toch ook nog steeds goed uit, zo redeneert ze. Ze belt wat heen en weer naar kennissen over sportscholen die voordelige cursussen aanbieden en schrijft hem in bij Sport Sonja.

Zo gebeurt het dat Dirk D. op een kille donderdagavond in maart ietwat schuchter een naar het zweet van de vorige groep stinkende aerobiczaal binnenloopt. Voor de gelegenheid heeft hij een joggingbroek gekocht en een T-shirt met drie strepen op de mouwen. Zelf vindt hij dat die best het daglicht niet zien, maar hij merkt tot zijn grote opluchting al vlug dat alle jonge vrouwen die binnenlopen iets gelijkaardigs dragen. Sommigen van hen hebben zelfs een zweetband rond hun pols. Zo eentje wil Dirk D. ook volgende keer. Boven de ingang van de sportzaal hangt een bord met daarop in grote letters ‘gelieve hier je schoenen uit te doen’. Dirk D. gaat dan maar op kousenvoeten de zaal binnen, niet merkend dat hij de enige is die dat voorschrift serieus neemt.

Bij aerobic staat er een soort groepsleidster vooraan. In Dirk D.’s geval is dat een springerige vrouw die Sonja heet en flink met haar armen zwaait op ritmische klopmuziek. De vrouwen rondom Dirk D. doen bloedserieus mee. Ook hij begint dan maar te stappen en te zwaaien. Hij begint er zelfs plezier in te krijgen, totdat Sonja aankondigt dat ze de V-step met de sunshine zullen combineren. Dirk D. probeert te kijken wat daarmee net bedoeld wordt, maar alles gaat zo snel dat hijzelf niet verder komt dan een houterig op en neer springen. Bovendien staat hij vlak bij een van de spiegels – de zaal is daar om een of andere onbekende reden mee behangen – waarin hij zichzelf voortdurend ziet doen wat de anderen niet doen. Hij beseft dat hij dringend werk van zijn motorieke vlotheid moet maken. Wanneer hij eindelijk begrijpt hoe de bewegingen juist in elkaar zitten, is het al pauze. De vrouwen rondom hem scharen zich giechelend bij elkaar en drinken knalblauw water uit gestroomlijnde flesjes. Ze spuiten deodorant de zaal in, alsof daar een insect zit dat ze moeten verdelgen.

Dirk D. staat moederziel alleen in het midden van de zaal. Zijn rug steekt als nooit tevoren. Hij begeeft zich zo onzichtbaar mogelijk naar de rand van de zaal, waar hij zijn trui – Lea noemt het sweatshirt – heeft achtergelaten, maar glijdt daarbij uit op zijn wollen sokken. De vrouwen letten nu allemaal naar hem. Voor het eerst heeft hij om twee uur ’s middags het gevoel dat hij wel wat sterkedrank kan hebben. Hij begint zwarte vlekken voor zijn ogen en voelt zich ziek komen. Hij draait weg. Iemand roept naar hem, maar dat hoort hij niet meer.

Hoofdstuk 4

De dokter reageert verontwaardigd als Dirk D. hem de dag na zijn val vertelt dat hij bij het aerobicen duizelig geworden was en dat hij daardoor nu met die ferme buil op zijn achterhoofd rondloopt. Hij heeft een lichte hersenschudding en al dat gespring heeft zijn rug geen deugd gedaan. De dokter schrijft hem drie weken platte rust voor voor zijn rugpijn. Wanneer Dirk D. diens praktijk verlaat, mompelt de dokter nog eens dat hij hoopt dat hij deze keer iet of wat verstandiger met zijn lichaam zal omspringen. Dirk D. is ontgoocheld in zijn artsbezoek, zijn vrouw en vooral in zichzelf. Even nadenken doet dat hem wel.

Hij als prof af had toch wel beter moeten weten! Op weg naar huis neemt hij zich voor niet meer te veel naar de raad van mensen zonder bevoegdheid te luisteren. Zijn vrouw weet bijvoorbeeld van niets en laat hem toch altijd voor alles opdraaien. Dat zal nu eindelijk veranderen. Dirk D. neemt zich voor tijdens zijn platte rust de ideeën voor zijn toponymisch woordenboek te laten rijpen en op een rijtje te zetten om die daarna eindelijk eens concreet te realiseren. Hij is een man van de wetenschap en kan zich niet zomaar voor de voeten laten lopen door de eerste de beste wettelijke wederhelft. Tijdens het naar huis wandelen richt Dirk D. zich trotser en trotser op – voor zover zijn rug dat toelaat. Hij zamelt al zijn moed bij elkaar. Het wordt tijd dat hij het heft weer in eigen handen neemt. Het is niet omdat hij zijn bureautje in de faculteit kwijt is, dat hij geen gezond verstand meer heeft dat hij ten dienste kan stellen van de mensheid. Professor is een moeilijk vak, waar je veel tijd in moet steken. Die mag Lea hem niet meer afnemen.
Lea staat klaar aan de deur om Dirk D.’s jas aan te nemen wanneer hij thuiskomt. Ze vraagt bezorgd hoe het geweest is. Dirk D. zegt wat de dokter hem aanraadde, en laat zich prompt in de zetel vallen. Zijn vrouw vindt dat de dokter makkelijk praten heeft: “Drie weken platte rust, allemaal goed en wel, maar ondertussen is de wasmachine wel overgelopen in de kelder. Wie gaat dat opkuisen? En ik zit daar ondertussen met de was en de plas en de strijk en de lenteschoonmaak. Die wasmachine moet hersteld en die kelder moet opgeruimd. Het zullen dan wel weer lange dagen worden voor mij, vroeg opstaan en laat gaan slapen, en wanneer kunnen we nog eens gezellig babbelen aan tafel zonder al die stress op mijn schouders altijd?” Bij deze woorden drukt Lea Dirk D. zijn gereedschapskist in de hand, en duwt hem subtiel de trap van de kelder af. Hij denkt er het zijne over, maar zet zich dan toch maar aan het repareren. Maar daarna, zo neemt hij zich voor, geen huishoudelijke klusjes meer. Vanaf nuzet hij de broodjes met kaas in niet meer, is hij niet meer kandidaat boodschappendrager als mevrouw naar de winkel moet in het stad en gaat hij naar het nieuws kijken terwijl zij de afwas doet in plaats van omgekeerd. Hoe Lea ook zeurt en zaagt, zijn toponymisch woordenboek gaat voor. Hij is toch wel de man in huis zeker.
Een week na die dappere beslissing, een week na zalige platte rust in het lentezonnetje wijst Lea Dirk D. erop dat het gras toch wel erg lang geworden is. Jammer genoeg heeft zijzelf een heilige schrik van grasmaaiers. Ze zou haar eigen voet er nog wel eens kunnen afmaaien! Dirk D. antwoordt moedig dat het goed is voor het gras om aan het begin van het nieuwe seizoen een beetje wild te groeien. Lea wil dat best aannemen, maar denkt aan haar goede naam in de buurt en na een korte monoloog van haar staat Dirk D. buiten met de verlengingskabel te sukkelen. Hoe doet ze het, vraagt hij zich af, ik laat me keer op keer weer vangen. Er is toch weliets zot met dat mens. Tijdens het grasmaaien neemt hij zich voor wat kordater uit de hoek te komen. Nee zeggen tegen Lea helpt blijkbaar niet. Dat had nooit geholpen, ook niet toen ze twee maanden geleden op het idee kwam zo’n smakeloos geel mantelpakje te kopen, waarin ze hem dan kon assisteren op het referendum voor geografen. Subtiele woorden werken niet, dan moet het blijkbaar harder. Dirk D. spreekt zichzelf moed in. Vanaf nu moet zij maar eens toegeven.
Even later staat hij eten te maken, terwijl Lea, die dringend rust nodig had, een uurtje platte rust neemt. Hij weet het nu heel zeker: hij is de man in huis. En dat zal hij vanaf nu ook laten merken.Voor elk wat wils, nu ook voor hem.

Hoofdstuk 5

Dirk D. zit stil kauwend aan de ontbijttafel. Hij is vroeger opgestaan om de tafel te dekken; sinds hij niet meer naar zijn werk ‘hoeft’ (zoals Lea het uitdrukt), kan hij die kleine bijdrage toch wel leveren aan het huishouden. Lea ritselt ondertussen met de krant. Dirk D. ergert zich ondertussen mateloos. Nog nooit eerder heeft hij zo’n mateloos gevoel van ergernis gevoeld. Zijn kauwen wordt er bitsiger van, zijn slikken moeizamer. Hij kijkt naar zijn vrouw, die het aandurft om met haar lelijke krulspelden aan het ontbijt te verschijnen en het bovendien niet laten kan ervan te blijven, en vraagt zich af waar hij het nog allemaal voor doet. Hij zou blij zijn als hij van haar aanwezigheid vanaf was. Hij wou toch een beroemd wetenschapper worden? Het moet wel haar schuld zijn dat hem dat niet gelukt is, want aan ambitie en inspiratie ontbrak het hém zeker niet.

En voor hij het zelf beseft spreekt hij ze uit, de gevreesde woorden: “Vanaf vandaag doe ik niets meer in dit huis. Ik ben geen klusjesman. Ik zijn met andere dingen bezig.” Lea kijkt hem kort aan van boven haar leesbril en duikt terug in de krant: “Slecht geslapen?” Dirk D. verslikt zich. Het ziet er naar uit dat ze hem niet gelooft. En vanaf nu pikt hij het niet meer dat niemand hem nog gelooft. Woest staat hij recht en giet een laatste rest koffie in zijn mond, die heter blijkt te zijn dan hij gedacht had. De hoestbui die volgt, gaat pas over als Lea hem heftig op de rug klopt en hem een glas water laat leegdrinken. Dirk D. bedankt haar kort en sloft naar zijn stoel in de woonkamer. Daar blijft hij de hele voormiddag zitten.

Tegen het middageten heeft hij zijn besluit getroffen. Terwijl Lea hem aardappelen opschept, schraapt hij zijn keel: “Ik moet hier even weg.” Dat vond hij een goed begin. “Ga je naar de winkel? Want dan mag je 200 gram gehakt meebrengen voor morgen. Ik vind het zelf veels te warm om nu naar de winkel te gaan”, antwoordt zijn vrouw. Hij begrijpt niet hoe ze die ondraaglijke spanning die in de lucht hangt niet aanvoelen kan. “Ik ga weg van jou, Lea. Ik moet absoluut alleen zijn. Anders krijg ik mijn woordenboek nooit af.” Zijn vrouw kijkt hem streng aan, en antwoordt vragend met een zekere zachtheid in haar stem: “Ik dacht dat jij zo geen man was, Dirk. Je hebt een moeilijk karakter, maar je bent toch niet zo koppig dat je beweert dat je geen boek kunt schrijven terwijl er iemand in de kamer ernaast zit?” Ze begrijpt niet waarom hij dit nodig heeft, merkt hij aan de ietwat treurige blik in haar ogen. Ze heeft hem vast nooit begrepen. “Je moet me een keer laten doen wat ik moet doen, Lea.” Rond Lea’s mondhoek speelt een ietwat spottende trek. Zwijgend begint ze te eten.

De losbarsting komt pas na het eten: “Mijn God, wat ben je een puber! Waar wil je gaan leven? Wie gaat er voor je eten zorgen? Je gaat gek worden zo in je eentje … Volgens mij ben je al gek!” Dirk D. laat zich echter niet kraken: “Ik ben zestig, Lea, het moet gezegd dat ik best voor mijn eigen levensonderhoud kan instaan.” En hij loog er nog snel bij: “Maak je geen zorgen, het heeft niets met jou te maken.

Als het niets met mij te maken had, zou je ook thuis kunnen blijven. Ik sta me hier dag in, dag uit uit te sloven voor jou, en dat is mijn dank. Jij hebt geen greintje besef van wat er om je heen gebeurt. Ben dan toch ook eens lief voor mij! Ga maar weg, dan zul je eens voelen hoe het voelt om een baby van zestig onder je hoede te hebben.

Dirk D. vindt het die avond moeilijk om naast Lea in het echtelijke bed te gaan liggen. Ze heeft de rest van de dag niet meer tegen hem gesproken. Toch wil hij deze keer niet toegeven. Hij gaat in zijn vissershutje aan de Maas logeren tijdens de zomer. Hij zal als een gek doorwerken aan zijn woordenboek, en daarna zal hij wel weer tevreden terug kunnen keren naar haar. Dan heeft zij ook de tijd om de dingen op een rijtje te zetten.

De volgende ochtend, voor hij opgaat naar zijn hutje, geeft Dirk D. Lea een kus aan het ontbijt. “Ik laat wel wat van me horen”, glimlacht hij. Hij is zo opgetogen over zijn avontuur, dat hij de vochtige blik in haar ogen niet ontwaart. Wanneer de deur achter hem dichtslaat, zingt ze zachtjes: Ik wil niemand anders dan jij…

Hoofdstuk 6

Er zit een merel die de hele tijd hetzelfde fluit voor het raam van het vissershutje. Binnen is het koud en buiten is het grijs en Dirk D. verveelt zich. Hoewel hij werk zat heeft, kan hij zich er niet toe brengen. Hij heeft nog andere zorgen aan zijn hoofd, zoals het dak van het hutje dat op drie plaatsen lekt en gemaakt moet worden, en het feit dat de elektriciteit er sinds drie jaar afgesloten is. Hij zou niet weten hoe hij ervoor zorgt dat die opnieuw geleverd wordt. Lea hield zich met dat soort dingen bezig. Voorlopig stelt hij het dus met een zaklamp en drie verroeste potten onder de lekke plaatsen. Hij lijkt wel een ondergedoken stripfiguur, zo clichématig is de toestand in het vochtige hok waar hij en Lea ooit nog samen overnacht hadden na een hele dag vissen. Wellicht waren ze toen nog verliefd, want Dirk D. kan zich niet voorstellen dat hij nu nog met haar op zo’n kleine oppervlakte zou moeten leven. Lea betekende soms een heuse kortwieking van zijn mogelijkheden, zoals thuis meermaals was gebleken. Maar goed dat hij hier zat.

Als de avond valt heeft Dirk D. nog geen half blad geschreven. Toch valt hij als een blok in slaap op het veldbed dat niet echt goed ligt. Hij droomt een zowaar mooie droom over Lea, maar wordt wakker door het trommelen van de regen op het dak. Hij kruipt dieper weg in zijn thermische slaapzak en voelt zich armoediger dan ooit. Misschien was het toch geen goed idee hierheen te komen, denkt hij, Lea’s woorden indachtig. Tot laat in de nacht blijft hij woelen en piekeren, tot hij uiteindelijk toch weer inslaapt.

s Ochtends schijnt de zon, de eerste keer sinds dagen. Dirk D. mag dan wel moe zijn van zijn onrustige nacht, hij voelt zich toch goedgeluimd. Hij laat zich, gewapend met een thermos vol koffie, zakken in zijn versleten stoffen fauteuil en begint aan zijn werk. En vandaag lukt het: voormiddag en namiddag bladert hij door artikels, zoekt hij op in atlassen en encyclopedieën en schrijft hij als een bezetene. Hij wil nauwelijks stoppen om te eten, maar omdat de pizzadienst weigert te leveren aan vissershutten, voelt hij zich genoodzaakt toch te dorpen om een pak friet te gaan. Het frietkot blijkt niet meer naast de kerk te staan, zoals indertijd, met Lea. Na een beetje rondvragen in gebrekkig Frans, komt Dirk D. te weten dat het 14 jaar geleden afgebroken is, omdat er ondertussen een nieuw, succesvoller snackhuis was opgericht naast de Carrefour. Dirk D. vindt het wel jammer dat dat oude vertrouwde vakantieplekje zo veranderd blijkt te zijn. Terwijl hij alleen op het terras van het snackhuis zijn frietjes eet – die ook anders smaken dan die van vroeger – zit hij met zijn gedachten weer bij zijn toponymisch woordenboek. Als hij vanavond nog flink doorwerkt heeft hij misschien vandaag nog heel het Pajottenland af. Daarmee zou het eerste kleine deeltje van zijn levenswerk op de kaart gevestigd staan om er nooit meer af te komen.

Voor Dirk D. weer naar het hutje teruggaat, besluit hij eens naar Lea te bellen. Hij had zijn vrouw immers beloofd af en toe eens een signaal te geven. Een telefooncel bleek nog moeilijker te vinden dan een frietkot. Na een beetje rondvragen in gebrekkig Frans, komt Dirk D. te weten dat er eentje naast de kerk staat. De telefoon gaat twee keer over, en dan hoort hij haar stem weer. Even haalt hij diep adem: “Lea, het is hier met Dirk.” Zij zwijgt. “Ik laat je even weten dat alles goed gaat. Mijn werk schiet goed op. Ik krijg vanavond het Pajottenland misschien nog af.” Hij hoort Lea zuchten: “Dirk, je bent zestig. Denk je nu echt dat het je ooit zal lukken de hele wereld te beschrijven als je nu nog maar het Pajottenland af hebt? Je moet stoppen met dromen. Maar naar mij luister je toch niet.” Dirk D. had wel een warmer antwoord verwacht. “Je hoeft niet te geloven dat ik het afkrijg. Maar een beetje steun en begrip af en toe zou wel op zijn plaats zijn,” vindt hij. “Daar pleit ik inderdaad al jaren voor,” antwoordt Lea kortaf. Dirk D. begrijpt niet wat ze bedoelt. “Ik ga verder werken,” zucht hij, “ik zal je laten.” Zonder een antwoord af te wachten haakt hij in.

Die avond werkt Dirk D. het Pajottenland af. Ondanks zijn vele werk kan hij ’s nachts weer de slaap niet vatten. Het is weer koud, zo alleen in bed. Hij wil zo graag nog eens een echt bad nemen met dat rozengeurspul van Lea. Morgen rijdt hij misschien eventjes naar huis. Hij kan daarna nog altijd terugkomen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s