Ei of ij? De truc

De Nederlandse spelling wemelt van gelijkluidende woorden met een verschillende spelling (een concept waar volgens mij nog altijd geen woord voor bestaat, omdat homofoon, homgraaf en homoniem al bezet zijn. Suggesties welkom!). Het gaat dan om woorden als wij en wei. Lees verder “Ei of ij? De truc”

Advertenties

Sociaal(-)economischer

Sociaaleconomisch, het is een van die woorden die ik telkens moet opzoeken in de Woordenlijst. Meestal schrijf ik het met een streepje, maar dan onderbibbert Word het steevast en ga ik toch maar te rade bij de officiële instantie. Microsoft – of andere grote softwarebedrijven – bejegen ik steevast met een gezonde portie wantrouwen, zeker wat hun kennis van taal betreft.

Blijkt dus dat je sociaaleconomisch met en zonder streepje kan schrijven en dat er een betekenisverschil is: zonder betekent ‘afgeleid van de sociale economie’, met ‘sociaal en economisch’. (Zucht. Zou de SERV, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen dan niet beter Sociaaleconomische en Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen heten? Spellingsregels zorgen zelden voor opheldering.)

Maar wat ook blijkt: de Woordenlijst geeft in de onlangs vernieuwde versie niet alleen de stellende trap mee, maar desgevallend ook de vergrotende trap. Dan wordt het sociaaleconomischer, of sociaal-economischer. Ligt het aan mij, of is dat een louter hypothetische grammaticale vorm? Zou een krant schrijven: “De regering stelde maatregelen voor die veel sociaaleconomischer zijn dan die van de buurlanden?” En zo ja, wat betekent dat dan? Of: “Ze volgde een sociaal-economischere universitaire opleiding dan haar buurjongen.” Op Google vind ik geen bewijzen van die vormen. Maar omdat ik grote softwarebedrijven nooit honderd procent vertrouw, zeker wat hun kennis van taal betreft, ben ik iedereen dankbaar die me het tegenbewijs kan leveren.

Peiling

In tijden van meetbaarheid, zelfoptimalisatie en statistieken die er in de meeste gevallen niet toe doen, zijn peilingen een onmisbaar euvel. Dus peilen we erop los. En dat doen we in Vlaanderen met een voorzetselvoorwerp (‘We peilden naar de tevredenheid‘). Maar Nederlanders zijn – zo wil het cliché het – directer. Zij gebruiken hier liever een direct object (‘We peilden de reacties‘).

En dat is interessant. Want als peilen voor Nederlanders overgankelijk is, dan zouden ze eigenlijk ook het voltooid deelwoord ervan als adjectief moeten kunnen gebruiken. En daar zijn ze (nog?) niet zo happig op. Een kleine peiling op Google geeft ons 468 hits bij ‘peilden de reacties’ en maar 12 hits bij ‘de gepeilde reacties’.

En als je gewoon zoekt op ‘de gepeilde’ om Google zelf te laten aanvullen vind je niet alleen een hoop zeemansliteratuur uit de 19de eeuw. Je stuit ook op voorbeelden als ‘de gepeilde ondernemingen, landen of kiezers’. Meer dan wat er gepeild wordt, slaat het geadjectiveerde voltooid deelwoord dus op wie er bevraagd werd.

Gek toch? Want voor mij moet het ‘We peilden (naar) de mening van de kiezers’ zijn. Een overgankelijk gebruik vind ik ongrammaticaal. Net zoals je niet zegt ‘de gevraagde kiezers’, als je vroeg naar de mening van de kiezers. Dan is het weer ‘bevraagde kiezers’. En opzoeking bewijst: ‘bepeilen’ bestaat! Maar niemand gebruikt het.

bepeilen

 

Op het programma

20160113_212528_001.pngEen nieuwe taalkoe, een nieuw avontuur. En dat begint, hoe kan het ook anders, in een oud Suske en Wiske-album. Eentje met beeldbuizen en een ander gebruik van het woord ‘programma’. Want vandaag noemen we Terzake een programma, of Thuis, of The Voice Kids, of formats die mogelijk nog verder gezocht zijn (want ja, dat is mogelijk).

Maar in de tijd van De Kleppende Klipper noemde het toenmalige NIR dat soort vertier gewoon nog ‘uitzendingen’. ‘Programma’ was voorbestemd voor het volledige tv-aanbod op een avond. Logisch eigenlijk. Hebben we nu dan nog wel een woord voor dat aanbod? Een snelle blik op de website van vtm en canvas leert: vandaag zeggen we ‘TV-gids’ of ‘programmagids’. Misschien omdat we menen vandaag niet meer lui voor de buis te zitten maar lekker actief zelf ons programma samenstellen? (Met de benen omhoog, natuurlijk.)

“Onderhandelen” onderhandelen

We hebben er al eerder op gewezen: het communautaire gezwets in ons Belgenlandje zorgt voor heel wat interessante nieuwe taalverschijnselen. Onze Nederlandstalige politici laten zich alvast van hun creatiefste kant zien, omdat dat indruk te doen wekken dat al die ruzies om taal draaien, en niet om minder nobele dingen, zoals daar zijn geld, macht en vette vissen. Nieuwe trend is het transitief gebruik van onderhandelen, zoals in de zin Wij onderhandelen BHV. Het gebruikelijke voorzetselvoorwerp met over wordt er gewoon uitgebonjourd en vervangen door een direct object, wat natuurlijk veel vlotter is in gebruik.

Minder vlot in gebruik (wegens het hoge tongue twister-gehalte) is het voltooid deelwoord van onderhandelen als adjectief, dat opduikt in de ondertussen al vastgeroeste (en te pas en te onpas gebruikte) constructie een onderhandelde oplossing. Interessant! Deze constructie kan maar omdat onderhandelen een direct object heeft gekregen. Als we het bijvoorbeeld vergelijken met het gelijkaardige praten over (met voorzetselvoorwerp), zien we dat het geprate huis ronduit ongrammaticaal is. Dat moet iets zijn als het huis waarover gepraat is. Bespreken echter, dat wel een direct object heeft, laat deze constructie wel toe: het besproken huis.

Het lijkt er dus op dat de politiekers in het Noorden van ons landje alle taalregisters opentrekken om zo een professionele indruk te maken op de kiezers, die op dit moment massaal terrasjes doen en hoogstens onderhandelen (over) welk bier ze zullen drinken. Maar stiekem denk ik gewoon dat een paar gluiperige Vlamingen wilden horen hoe Franstalige politici, die sowieso al wel eens verstrikt raken in hun woorden* wanneer ze Nederlands proberen te spreken, telkens weer struikelen over de collocatie onderhandelde oplossing.

*NB: Behalve Didier Reynders. Die raakt niet verstrikt in zijn woorden, hij laat de laatste paar lettergrepen, die er sowieso niet meer ongehavend uit zouden komen, gewoon weg. Ook een manier natuurlijk, zij het wel een irritante.

Politieke taalperikelen

Veel politici lijken met hun taal te willen bevestigen dat ze eigenlijk weinig interessants te zeggen hebben door zoveel mogelijk nietszeggende uitdrukkingen en clichés op hun toehoorders af te vuren. De voorbije formatieperiode in België ging gebukt onder holle frasen, die politici zonder schroom van elkaar stalen om ze zelf in hun betoog te kunnen gebruiken, zodat dat zo vaag en onduidelijk mogelijk bleef. De media speelden daar lustig op in en de taalkoespotters keken met lede ogen toe. Een greep uit het aanbod:

  • ik stel vast dat…/ik moet vaststellen dat…
  • ze schuiven de zwartepiet door
  • we gaan zonder taboes naar de onderhandelingstafel
  • zullen we nog landen of wordt het een crash?

Een extra pluim voor de politici die blijkbaar al wisten dat het politieke gekrakeel rond de feestdagen afgerond zou zijn en zeer toepasselijk metaforen bleven oprakelen uit de semantische velden van “maaltijd” en “restaurant”

  • het formatiemenu
  • er staat vanalles op het menu, maar dat gaan we niet allemaal bestellen, laat staan opeten
  • wij eisen een dikke vis in de pan
  • we willen een communautaire vis op het menu
  • de Franstaligen krijgen een lepel suiker
  • wij zijn niet tevreden met wat borrelnootjes

Daarom ben ik toch wel benieuwd wat het op 23 maart zal geven, de dag waarop Verhofstadt de macht zou moeten overdragen aan Leterme en de interimregering overgaat in een nieuwe. Het kan geen toeval zijn dat uitgerekend op Pasen de christen-democraten aan de macht willen komen. Ik stel er mij alvast heel wat symbolische taferelen bij voor:

  • de zondag voor Pasen lijkt Leterme het allemaal mooi voor elkaar te hebben en wordt hij door zijn aanhangers enthousiast in Brussel ontvangen
  • helaas blijkt kartelpartner N-VA niet zo trouw en verraadt Bartje De Wever Leterme
  • Leterme moet zich verantwoorden voor volk en koning. Die laatste wast zijn handen in onschuld als de publieke opinie Leterme genadeloos neersabelt.
  • Ondertussen doet Jo Vandeurzen of zijn neus bloedt, ook nadat de Waalse haan drie keer heeft gekraaid.
  • Toch slaagt Leterme erin op 23 maart een onverwachte comeback te maken. Als een martelaar verrijst hij uit de doden.
  • Guy Verhofstadt kiest dan maar het hazenpad.
  • Toch zijn er nog altijd enkele ongelovige Thomassen die de terugkomst van Leterme niet kunnen vatten.
  • Was de interimregering dan uiteindelijk toch het (paas)ei van Columbus?
  • Zoals het helaas meestal met politieke leiders gaat, zal Leterme al in mei in hogere sferen zitten, terwijl het gewone volk zijn wetten mag uitdragen.
  • Conclusie: er is een regering, but you can’t make an omelet without breaking eggs…

Buurtsuper

Taalkoespotters spotten ook wel eens woorden die wij als neologismen ervaren en vandaag is dat het misschien toch niet zo geweldige buurtsuper. In het kader van de dag van de klant kreeg ik vandaag bij het winkelen bij onze Delhaize een tijdschriftje cadeau waar het woord buurtsuper irritant vaak aanwezig was. Daar ben ik toch eerst over gestruikeld. Een superbuurt, dat spreekt voor zich, maar een buurtsuper? Toch een beetje een rare afkorting voor buurtsupermarkt, dat op zich al een raar woord is. De meeste supermarkten bevinden zich toch altijd bij iemand in de buurt? Dan zeg ik liever Bij ons in den Delhaize.

(Trouwens, deze samenstelling zal wel vooral raar klinken omdat het lijkt dat een substantief hier een adjectief bepaalt, wat toch vrij zeldzaam is.)

Maar goed, wie ben ik om de opmars van zo’n neologisme tegen te houden, dacht ik in al mijn bescheidenheid, het woord ondertussen in Google intikkend. En wat blijkt, buurtsuper krijgt massaal veel hits, vooral op Nederlandse pagina’s.

Dus vraag ik me af: kunnen onze Noorderburen ook super als zelfstandig naamwoord gebruiken in de betekenis van supermarkt? Want dat zou dan wel weer een interessante evolutie zijn.