Voorzetsels

Vandaag was ik op stap met iemand die in een vorig leven germanist was, maar vandaag nog steeds veel interesse heeft voor taal. Het ging vandaag vooral over voorzetsels. Zo blijkt er een deelgemeente te zijn waarin er gezegd wordt “waar gaat het naar op aan”. Noteer het feit dat er hier drie voorzetsels achter elkaar staan.

Ook leuk is bijvoorbeeld het verschil tussen “ik stap de auto in” of “ik stap in de auto”. Als er natuurlijk een verschil is?

En nog een eventueel Noord-Zuidverschil: “de deur is toe” of “de deur is dicht”?

Enfin, het was een beetje een nerd-dag :o)

Advertenties

9 gedachtes over “Voorzetsels

  1. Over die “ik stap de auto in” en “ik stap in de auto”: dat betekent eigenlijk wel hetzelfde. Maar er zijn gevallen waarin de plaatsing van de voorzetsels een betekenisverschil maken en dat is dan een beetje te vergelijken met de beruchte Duitse Wechselpräpositionen.

    Vergelijk:

    “Ik wandel in het huis”: Het wandelen gebeurt in het huis zelf (in het Duits met de datief)
    “Ik wandel het huis in”: Je wandelt van een gebied buiten het huis het huis binnen (in het Duits met de accusatief)

    Het is misschien een weinig voorkomend voorbeeld, maar het werkt dus echt. Volgens mij werkt het trouwens niet in het auto-voorbeeld omdat het daar praktisch gezien niet gaat. Onze wereldkennis zorgt ervoor dat we weten dat “in de auto stappen” (in de datiefbetekenis) nogal moeilijk haalbaar is.

  2. Ooit had ik een Vlaams-Brabants lief, dat zich steeds maar verbaasde over het verschil in gebruik van voorzetsels tussen hun dialect (tussen Brussel en Leuven) en het onze (Zuidoost-Oost-Vlaanderen). Het ging vooral om de voorzetsels “af” en “van” als ik mij niet vergis. Waar ik “af” gebruikte, bezigde zij “van” en omgekeerd.
    Bvb. “Ik eet daar niet af!” “Ik eet daar niet van”…

  3. Dat is me als Vlaams-Brabander bij verschillende West- en Oost-Vlamingen ook al opgevallen! Zo zag ik eens op een kermis een bordje bij een kraam waarop stond: “Gooi alle ballen af de plank”. Ook uitspraken als “Hij is af de trap gevallen” doen me daaraan denken. Maar “Ik eet daar niet af” is al helemaal raar :-).

    Eigenlijk zou eens iemand een proefschrift moeten schrijven over het gebruik van voorzetsels in verschillende dialectstreken (of bestaat dat al?). Tom zijn Limburgismen bewijzen al dat dat heel interessant kan zijn!

  4. Achterzetsels hebben altijd met richting te maken, voorzetsels niet noodzakelijk. In het voorbeeld ‘ik stap in de auto’ wordt de richtingsbetekenis niet afgedwongen door het voorzetsel, maar door de semantiek van het werkwoord. Bij ‘Ik stap de auto in’ dwingt het achterzetsel al richting af.

    Als je een neutraal werkwoord neemt, zie je het duidelijk: ‘ik loop door het bos’ tegenover ‘ik loop het bos door’. ‘Ze liepen over de brug’ tegenover ‘zij liepen de brug over’. De technische term voor de betekenis van de achterzetselconstructie in deze zinnen is “telisch”: er wordt geïmpliceerd dat het eindpunt bereikt is.

    Interessant: de twee constructies corresponderen vaak met een verschillend hulpwerkwoord van tijd: ‘Ik heb door het bos gelopen’ tegenover ‘Ik ben het bos door gelopen’. Ook is de telische betekenis moeilijk combineerbaar met een duurbepaling: ‘Ik heb de hele middag door het bos gelopen’, maar niet ‘Ik ben de hele middag het bos door gelopen’.

  5. Mijn kinderen zeggen vrolijk dingen als ‘hij van af de trap gevallen’ en – vaker, eigenlijk – ‘papa, neem het Monopolyspel (of wat anders) eens af de kast’. Ik verbeter hen dan, maar vooral mijn zoontje repliceert meestal met iets als: “Hoezo? Je zegt toch ook ‘ik zet het op de kast?'”

    We kunnen nog wel een paar generaties volhouden dat de ‘van’ en ‘af’ er alle twee bij horen in constructies als ‘iets van iets anders af dingesen’ omdat de achterplaatsing nodig is vanwege de richting die door uitgedrukt wordt, maar ‘af’ zou in de toekomst wel eens een gewoon voorgeplaatst voorzetsel kunnen worden. Eigenlijk valt die evolutie nog mee, als je ziet wat het allemaal tot voorzetsel kan schoppen: werkvoordvormen (‘betreffende’) en substantieven (‘richting’: ‘communiceren richting de burger’ en ‘randje’: van ‘randje buitenspel’ naar ‘randje criminaliteit’).
    😉

    Ik heb ooit een steekproef gedaan tijdens een verjaardagsfeestje van mijn dochtertje: ik vroeg aan de vijf aanwezige meiden om één voor één in hun eigen woorden te zeggen wat ik deed. Braafjes zeiden vier ervan: “je zet de doos op de kast” en “je neemt de doos af de kast”. Alleen mijn dochter zei met een brede grijns: “je neemt de doos van de kast af”, maar die had mijn stokpaardje dan ook haarscherp in de smiezen, natuurlijk.

  6. @ Esther:

    O, maar er is al redelijk wat over kindertaal te vinden op het internet. En mijn snotapen worden al wat te oud (9 en 11) om nog echte pareltjes te oogsten, vrees ik.

    http://www.onzetaal.nl/nieuws/kindertaal.php
    http://www.rug.nl/let/informatievoor/studiekiezers/alfasteunpunt/onderwerpen/nederlands/kindertaal
    http://www.ouders.nl/ltaal.htm
    http://www.pinkelotje.nl/woordenboek.html
    http://www.kennislink.nl/web/show?id=130785

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s