The End

10 07 2006

Tien juli, exact een half jaar na de eerste post op Taalkoeien. Of, een half jaar taal observeren met een open en kritische blik. En daar komt nu een einde aan. Het is een mooi einde: we hadden een heleboel bezoekers (toch zeker voor een taalblog) en een toffe, kleinere groep van mensen die commentaar leverden. Aan iedereen, bedankt!

Esther en ik hopen dat we op een niet al te belerende manier mensen hebben kunnen tonen dat taal niet (alleen) uit regeltjes en spelling bestaat, maar dat taal leeft en verandert. Misschien blijkt wel dat de taalvariatie die we hier het voorbije half jaar hebben genoteerd over tien jaar niet meer variatie is maar standaard.

Taalkoeien blijven dus altijd bestaan, ook als ze hier niet meer verschijnen. Word zelf een taalkoespotter en beleef plezier aan taalgebruik en taalvariatie!

Tot ziens,

Esther en Tom





Googelen

7 07 2006

Hier las ik dat Googelen een erkend werkwoord is. Dat is een mooi voorbeeld van hoe woordenboek toch eigenlijk ook descriptief is en… laten we hier maar stoppen vooraleer ik hier begin over het verschil tussen normatief en descriptief…

Afsluiter van de week (?) is een taalkoe van Esther: ze bemerkte dat alles ‘doen’ kan hebben. Ze werkt in een broodjeszaak en daar moet ze soms de eieren doen, of de worteltjes doen. En ik, ik merk soms om half elf dat ik nog een taalkoe moet doen. ‘Doen’ beter bekend als passe partout werkwoord!

Dus… als je het eventjes niet weet, kan je altijd zo een pp werkwoord… doen! Het getuigt echter wel niet van veel schrijfvaardigheid.

Esther heeft echter nog meer… gedaan: gisteren had ze met iemand afgesproken ‘om die persoon te rinkelen’ als het zou beginnen. Naar aanleiding van de post over ‘ik rinkel’ kunnen we hier spreken over een wederkerend verschijnsel.

En om af te sluiten (?), Esther en ik zijn geslaagd voor onze examens! Goed weekend!





Taalkoeien van Juni

5 07 2006

Lees wat vooraf ging op de Dirk D. Pagina

 

Er zit een merel die de hele tijd hetzelfde fluit voor het raam van het vissershutje. Binnen is het koud en buiten is het grijs en Dirk D. verveelt zich. Hoewel hij werk zat heeft, kan hij zich er niet toe brengen. Hij heeft nog andere zorgen aan zijn hoofd, zoals het dak van het hutje dat op drie plaatsen lekt en gemaakt moet worden, en het feit dat de elektriciteit er sinds drie jaar afgesloten is. Hij zou niet weten hoe hij ervoor zorgt dat die opnieuw geleverd wordt. Lea hield zich met dat soort dingen bezig. Voorlopig stelt hij het dus met een zaklamp en drie verroeste potten onder de lekke plaatsen. Hij lijkt wel een ondergedoken stripfiguur, zo clichématig is de toestand in het vochtige hok waar hij en Lea ooit nog samen overnacht hadden na een hele dag vissen. Wellicht waren ze toen nog verliefd, want Dirk D. kan zich niet voorstellen dat hij nu nog met haar op zo’n kleine oppervlakte zou moeten leven. Lea betekende soms een heuse kortwieking van zijn mogelijkheden, zoals thuis meermaals was gebleken. Maar goed dat hij hier zat.

Als de avond valt heeft Dirk D. nog geen half blad geschreven. Toch valt hij als een blok in slaap op het veldbed dat niet echt goed ligt. Hij droomt een zowaar mooie droom over Lea, maar wordt wakker door het trommelen van de regen op het dak. Hij kruipt dieper weg in zijn thermische slaapzak en voelt zich armoediger dan ooit. Misschien was het toch geen goed idee hierheen te komen, denkt hij, Lea’s woorden indachtig. Tot laat in de nacht blijft hij woelen en piekeren, tot hij uiteindelijk toch weer inslaapt.

s Ochtends schijnt de zon, de eerste keer sinds dagen. Dirk D. mag dan wel moe zijn van zijn onrustige nacht, hij voelt zich toch goedgeluimd. Hij laat zich, gewapend met een thermos vol koffie, zakken in zijn versleten stoffen fauteuil en begint aan zijn werk. En vandaag lukt het: voormiddag en namiddag bladert hij door artikels, zoekt hij op in atlassen en encyclopedieën en schrijft hij als een bezetene. Hij wil nauwelijks stoppen om te eten, maar omdat de pizzadienst weigert te leveren aan vissershutten, voelt hij zich genoodzaakt toch te dorpen om een pak friet te gaan. Het frietkot blijkt niet meer naast de kerk te staan, zoals indertijd, met Lea. Na een beetje rondvragen in gebrekkig Frans, komt Dirk D. te weten dat het 14 jaar geleden afgebroken is, omdat er ondertussen een nieuw, succesvoller snackhuis was opgericht naast de Carrefour. Dirk D. vindt het wel jammer dat dat oude vertrouwde vakantieplekje zo veranderd blijkt te zijn. Terwijl hij alleen op het terras van het snackhuis zijn frietjes eet – die ook anders smaken dan die van vroeger – zit hij met zijn gedachten weer bij zijn toponymisch woordenboek. Als hij vanavond nog flink doorwerkt heeft hij misschien vandaag nog heel het Pajottenland af. Daarmee zou het eerste kleine deeltje van zijn levenswerk op de kaart gevestigd staan om er nooit meer af te komen.

Voor Dirk D. weer naar het hutje teruggaat, besluit hij eens naar Lea te bellen. Hij had zijn vrouw immers beloofd af en toe eens een signaal te geven. Een telefooncel bleek nog moeilijker te vinden dan een frietkot. Na een beetje rondvragen in gebrekkig Frans, komt Dirk D. te weten dat er eentje naast de kerk staat. De telefoon gaat twee keer over, en dan hoort hij haar stem weer. Even haalt hij diep adem: “Lea, het is hier met Dirk.” Zij zwijgt. “Ik laat je even weten dat alles goed gaat. Mijn werk schiet goed op. Ik krijg vanavond het Pajottenland misschien nog af.” Hij hoort Lea zuchten: “Dirk, je bent zestig. Denk je nu echt dat het je ooit zal lukken de hele wereld te beschrijven als je nu nog maar het Pajottenland af hebt? Je moet stoppen met dromen. Maar naar mij luister je toch niet.” Dirk D. had wel een warmer antwoord verwacht. “Je hoeft niet te geloven dat ik het afkrijg. Maar een beetje steun en begrip af en toe zou wel op zijn plaats zijn,” vindt hij. “Daar pleit ik inderdaad al jaren voor,” antwoordt Lea kortaf. Dirk D. begrijpt niet wat ze bedoelt. “Ik ga verder werken,” zucht hij, “ik zal je laten.” Zonder een antwoord af te wachten haakt hij in.

Die avond werkt Dirk D. het Pajottenland af. Ondanks zijn vele werk kan hij ’s nachts weer de slaap niet vatten. Het is weer koud, zo alleen in bed. Hij wil zo graag nog eens een echt bad nemen met dat rozengeurspul van Lea. Morgen rijdt hij misschien eventjes naar huis. Hij kan daarna nog altijd terugkomen.





Compensatiesnelheid

4 07 2006

Het ligt al een tijdje in mijn mailbox, en er zijn al een aantal emails over en weer gestuurd, maar het antwoord blijft zoek, en esther, arne en ik zoeken hulp bij de taalkoeiengemeenschap. Het verhaal gaat als volgt:

Een zin die je traag en een beetje stamelend begint, zal je vaak snel afratelend eindigen. Dat contrast tussen een traag begin en een snel einde zou te kunnen maken hebben met compensatie: het slome eerste deel krijgt een tegenhanger die snel is. Arne vraagt zich af of die compensatie iets te maken heeft met ‘prestatie’: het snellere  einde moet de zwakkere prestatie van in het begin compenseren.

Esther en ik dachten dat Arne wel eens gelijk kon hebben, maar dat het ook te maken zou kunnen hebben met pure functionaliteit: als je je hele zin stamelend en traag blijft uitspreken, gaat niemand kunnen volgen wat je zegt. het snellere einde is dan gewoon een middel om je luisteraar vast te houden.

Yves (een kennis van op de faculteit) dacht dat het kon te maken hebben met hoe je een zin bouwt in je hoofd. in het begin weet je nog niet wat je wil zeggen en stamel je een beetje. maar tegen het einde weet je het wel en laat je de woorden gewoon stromen.

Commentaren? Suggesties?





Skilt en vriend

3 07 2006

Er is zo iets uit de geschiedenislessen dat ik niet begrijp. Volgens ‘den Hendrik’ vroegen de Vlamingen aan de Fransen om ‘Schild en Vriend’ te zeggen (Fransen zeggen dan ‘Skilt en vriend’) zodat ze elkaar konden onderscheiden.

Maar wat wil het dialectologische toeval nu? In Vlaanderen (Oost- maar vooral West-) wordt de sch – klank uitgesproken als ’sk’. En hoe meer je naar het Oosten gaat, hoe meer het een ’sj’ klank wordt.

’sk’ is iets typisch voor West Vlaanderen en Friesland, het kustgebied dus. (zijn dat ingweonen, of heb ik het daar mis?) Hoe zit het dus met de Westvlamingen in de Guldensporenslag???