“Onderhandelen” onderhandelen

11 05 2008

We hebben er al eerder op gewezen: het communautaire gezwets in ons Belgenlandje zorgt voor heel wat interessante nieuwe taalverschijnselen. Onze Nederlandstalige politici laten zich alvast van hun creatiefste kant zien, omdat dat indruk te doen wekken dat al die ruzies om taal draaien, en niet om minder nobele dingen, zoals daar zijn geld, macht en vette vissen. Nieuwe trend is het transitief gebruik van onderhandelen, zoals in de zin Wij onderhandelen BHV. Het gebruikelijke voorzetselvoorwerp met over wordt er gewoon uitgebonjourd en vervangen door een direct object, wat natuurlijk veel vlotter is in gebruik.

Minder vlot in gebruik (wegens het hoge tongue twister-gehalte) is het voltooid deelwoord van onderhandelen als adjectief, dat opduikt in de ondertussen al vastgeroeste (en te pas en te onpas gebruikte) constructie een onderhandelde oplossing. Interessant! Deze constructie kan maar omdat onderhandelen een direct object heeft gekregen. Als we het bijvoorbeeld vergelijken met het gelijkaardige praten over (met voorzetselvoorwerp), zien we dat het geprate huis ronduit ongrammaticaal is. Dat moet iets zijn als het huis waarover gepraat is. Bespreken echter, dat wel een direct object heeft, laat deze constructie wel toe: het besproken huis.

Het lijkt er dus op dat de politiekers in het Noorden van ons landje alle taalregisters opentrekken om zo een professionele indruk te maken op de kiezers, die op dit moment massaal terrasjes doen en hoogstens onderhandelen (over) welk bier ze zullen drinken. Maar stiekem denk ik gewoon dat een paar gluiperige Vlamingen wilden horen hoe Franstalige politici, die sowieso al wel eens verstrikt raken in hun woorden* wanneer ze Nederlands proberen te spreken, telkens weer struikelen over de collocatie onderhandelde oplossing.

*NB: Behalve Didier Reynders. Die raakt niet verstrikt in zijn woorden, hij laat de laatste paar lettergrepen, die er sowieso niet meer ongehavend uit zouden komen, gewoon weg. Ook een manier natuurlijk, zij het wel een irritante.





De Fransleraar

10 02 2008

Ik krijg de laatste tijd steeds moeilijkere vragen in m’n mailbox. Geen probleem, ik bijt me vast en voorzie u van een antwoord, waar ik – eerlijk waar – tijd en moeite heb in gestopt, maar waarvan u niet mag denken “dit is de enige juiste Waarheid”. Soms echter krijg ik een vraag, en moet ik het antwoord schuldig blijven. Dat was het geval bij de vraag van Klintersaas:

“Is het grammaticaal fout om het te hebben over een duitsleraar een fransleraar een engelsleraar een nederlandsleraar etc? leraar duits leraar frans etc, klinkt beter, maar is fransleraar fout? en zoja wat is de regel daarover? waarom is wel geschiedenisleraar en geen fransleraar?”

Klintersaas is bij de pinken, en geeft al enkele aanzetten:

Een verklaring heb ik vooralsnog niet gevonden, maar ik vermoed dat het historisch zo gegroeid is. Een andere gebruiker opperde dat het zo was om verwarring met bijvoorbeeld “Franse leraar”, “Duitse leraar” te voorkomen.

Moeilijke vraag, en de vraag slingert al enkele weken rond in m’n mailbox. Ik kom er echter niet helemaal uit en hoop dus dat er slimme mensen iets kunnen bijdragen aan mijn onderstaande redenering. Eerst even vermelden dat woorden als Fransleraar wel degelijk voorkomen in Google, en dat ze dus zeker niet helemaal onbestaand zijn. Feit is dat ook ik Fransleraar (fransleraar?) duidelijk minder acceptabel vind.

M’n idee erover is toevallig een van m’n stokpaardjes: paradigma’s. Ik zag de volgende rijtjes voor me:

  • leraar biologie – biologieleraar
  • leraar aardrijkskunde – aardrijkskundeleraar
  • leraar Frans – X
  • leraar Nederlands – X

Het eerste idee is dan, het paradigma wordt onderbroken voor talen. Maar dan duikt bij mij meteen een voorbeeld als Hindileraar op, waarbij de naam van de taal helemaal niet is afgeleid van de landsnaam. Daar gaat het blijkbaar prima. De motivatie om het paradigma te onderbreken op basis van “het is een taal” blijkt dus niet te gelden, want taalnamen die niet afgeleid zijn van de landsnaam blijken wel voor “leraar” te kunnen staan (zonder vreemd te klinken).

Klintersaas heeft z’n vraag ook op het wetenschapsforum los gelaten. Daar heeft iemand het taalunieversum opgetrommeld. Die wisten te melden dat het bij Nederlands en Frans om woorden gaat die nog op de een of andere manier sterk verbonden zijn met een adjectief status. Dat lijkt wel min of meer te stroken met wat ik hier zeg, toch?

Uiteraard zijn verdere bedenkingen steeds welkom!





Vaatafwasmachine

11 01 2008

In de mailbox kreeg ik de volgende vraag van Vincent:

Ik zeg altijd: vaatwasmachine. Mijn vrouw zegt altijd: afwasmachine.
Ik vind dat een merkwaardig woord. Alsof je een droogkast eerder een afdroogmachine zou noemen, en een boormachine een gaatjesmaakmachine zou noemen.

Vincent vindt dus dat “afwasmachine” een beetje redundant is. Hij redeneert waarschijnlijk als volgt: het is een wasmachine en die wast de vaat, dus ‘vaatwasmachine’. Klinkt als een geldige redenering.

Maar wat zegt Mijnheer Van Dale: “vaatwasmachine: zie afwasmachine” en dan een nette uitleg bij afwasmachine. Ook op basis van de populariteit van afwasmachine over vaatwasmachine in Google zou ik zeggen dat je het beter over een afwasmachine hebt (want dan stoot je het minste aantal mensen tegen de schenen!).

Trouwens, als je de redenering van Vincent doorzet, zou het eigenlijk een ‘afwas-wasmachine’ moeten zijn. Een wasmachine die de afwas doet.

Of zeg je wel eens tegen je vrouw: “we moeten de vaatwas nog doen?”

Enfin, waar het hier om gaat is natuurlijk dat het onduidelijk geworden is waar de woordgrenzen liggen/lagen. af – wasmachine, afwas – machine, af – was – machine, vaat – was – machine, vaatwas – machine, vaat – wasmachine.

Mijn mening daarbij is dat het een machine is, die de afwas doet, dus afwasmachine. Ik kan de redenering “het is een machine die de vaat wast, dus vaatwasmachine” ook aanvaarden. En het blijkt dat er een minderheid van de mensen ook “vaatmachine” zegt.





Politieke taalperikelen

9 01 2008

Veel politici lijken met hun taal te willen bevestigen dat ze eigenlijk weinig interessants te zeggen hebben door zoveel mogelijk nietszeggende uitdrukkingen en clichés op hun toehoorders af te vuren. De voorbije formatieperiode in België ging gebukt onder holle frasen, die politici zonder schroom van elkaar stalen om ze zelf in hun betoog te kunnen gebruiken, zodat dat zo vaag en onduidelijk mogelijk bleef. De media speelden daar lustig op in en de taalkoespotters keken met lede ogen toe. Een greep uit het aanbod:

  • ik stel vast dat…/ik moet vaststellen dat…
  • ze schuiven de zwartepiet door
  • we gaan zonder taboes naar de onderhandelingstafel
  • zullen we nog landen of wordt het een crash?

Een extra pluim voor de politici die blijkbaar al wisten dat het politieke gekrakeel rond de feestdagen afgerond zou zijn en zeer toepasselijk metaforen bleven oprakelen uit de semantische velden van “maaltijd” en “restaurant”

  • het formatiemenu
  • er staat vanalles op het menu, maar dat gaan we niet allemaal bestellen, laat staan opeten
  • wij eisen een dikke vis in de pan
  • we willen een communautaire vis op het menu
  • de Franstaligen krijgen een lepel suiker
  • wij zijn niet tevreden met wat borrelnootjes

Daarom ben ik toch wel benieuwd wat het op 23 maart zal geven, de dag waarop Verhofstadt de macht zou moeten overdragen aan Leterme en de interimregering overgaat in een nieuwe. Het kan geen toeval zijn dat uitgerekend op Pasen de christen-democraten aan de macht willen komen. Ik stel er mij alvast heel wat symbolische taferelen bij voor:

  • de zondag voor Pasen lijkt Leterme het allemaal mooi voor elkaar te hebben en wordt hij door zijn aanhangers enthousiast in Brussel ontvangen
  • helaas blijkt kartelpartner N-VA niet zo trouw en verraadt Bartje De Wever Leterme
  • Leterme moet zich verantwoorden voor volk en koning. Die laatste wast zijn handen in onschuld als de publieke opinie Leterme genadeloos neersabelt.
  • Ondertussen doet Jo Vandeurzen of zijn neus bloedt, ook nadat de Waalse haan drie keer heeft gekraaid.
  • Toch slaagt Leterme erin op 23 maart een onverwachte comeback te maken. Als een martelaar verrijst hij uit de doden.
  • Guy Verhofstadt kiest dan maar het hazenpad.
  • Toch zijn er nog altijd enkele ongelovige Thomassen die de terugkomst van Leterme niet kunnen vatten.
  • Was de interimregering dan uiteindelijk toch het (paas)ei van Columbus?
  • Zoals het helaas meestal met politieke leiders gaat, zal Leterme al in mei in hogere sferen zitten, terwijl het gewone volk zijn wetten mag uitdragen.
  • Conclusie: er is een regering, but you can’t make an omelet without breaking eggs…




Op/af/uit/in – rit

4 01 2008

Gelukkig nieuwjaar.

Als ik op een autosnelweg rijd, en ik bereik mijn bestemming, dan zeg ik “hier moet ik er af”. De andere taalkoespotter hier aanwezig zegt “hier moet ik er uit”.

Dat hangt samen met de volgende woordjes: voor mij is het een “afrit” voor haar een “uitrit”. Nochtans zijn we er allebei van overtuigd dat het tegenstelde een “oprit” is, en geen “inrit”. Paradigmatisch gezien heb ik dus deze keer gelijk (hoezee). Een “inrit” is immers iets dat voor je huis ligt.

Een “uitrit”, prfft…





Nee

13 12 2007

Discourse markers, ze zijn er in alle vormen en kleuren. De interessantste vind ik op dit moment “nee”. Hoewel we immers zeer veel “ja” gebruiken – “jaja, wat een weer he” -  geven we opmerkingen met een hogere relevantie blijkbaar aan met “nee”. “nee, over die bril van Gert…”

Ook in het Duits gebruikt men “nee” om de draad weer op te pikken. In het Engels lijkt het me echter vrij vreemd om je opmerkingen te beginnen met “no”.

Waarom in godsnaam gebruiken we een negatief element om het gesprek een draai te geven? Moeten we “nee” hier wel zien als negatief? Misschien is het wel zoiets als in “ging jij niet naar huis”, waarbij de andere juist wel naar huis gaat.

Zijn er zo nog vermeende negatieve woordjes die juist gebruikt worden in iets dat niet meteen als negatief wordt gezien?





Openbare verkoping

6 12 2007

Ik krijg vanmorgen een flyer in de brievenbus met in het groot “Openbare verkoping” erop. Het verbaast me dat de maker van de flyer zich genoodzaakt voelde om een alternatief te vinden voor het toch wel gangbare “openbare verkoop”. Het blijkt uit Google, dat nog meer mensen “openbare verkoping” in de mond nemen. Ik vraag me af of het geen vergezochte vorm van “hypercorrectie” kan zijn: de schrijver zegt zelf wel “openbare verkoop”, maar denkt “dat kan geen ‘schoon nederlands’ zijn” en gaat productief op zoek naar het substantief dat van “verkopen” kan afgeleid zijn. En dan kwam ie op zo’n taalkoe als “verkoping” uit.

Productieve affixen zijn behoorlijk interessant. Zo las ik laatst ergens (vergeten waar, sorry) het woord “lompiteit”. Kijk, da’s mooi, da’s taal, da’s genieten.

(oh en nog op die flyer: “Prachtige Kunstveiling”, met twee hoofdletters, in een cursief lettertype en op glanzend papier. Ik kan me voorstellen dat de kunst nog wel prachtig is, maar of die veiling nu zo mooi is, dat weet ik niet…)








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.